Seiten: 1 2 Zurück zur Übersicht
Autor
Thema: Algemene Heffingskorting



@ Marc

Ik stel niet dat iemand vrijwillig premie betaalt. Ik stelde dat iemand die zich vrijwillig verzekert voor de AOW verplicht is premie te betalen. Dat de vrijwillige AOW, net als de verplichte, tot de volksverzekeringen gerekend wordt, blijkt overigens rechtstreeks uit de WFSV. Ik citeer, zie met name het kopje boven art. 68:

" De financiering van de vrijwillige volksverzekeringen
§ 1. Inleidende bepalingen
Art. 68. Premieheffing (6.1.1.1) [Geschiedenis: MvT; versie 16 december 2004]
De financiële middelen tot dekking van de uitgaven voor de vrijwillige volksverzekeringen worden verkregen door het heffen van premie.
Art. 69. Algemene begrippen (6.1.1.2) [Geschiedenis: MvT; versie 16 december 2004; Stb. 2005, 525]
Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:
a. vrijwillige algemene ouderdomsverzekering: de verzekering, bedoeld in hoofdstuk IV van de Algemene Ouderdomswet;
b. vrijwillige nabestaandenverzekering: de verzekering, bedoeld in hoofdstuk 5 van de Algemene nabestaandenwet."





@Marc

"Als ik jouw redenering zou door trekken, zou iemand die op basis van een vrijwillige aow verzekering , vervolgens premieplichtig zou zijn voor de AOW . Deze persoon zou zich vervolgens kunnen beroepen op het arrest van pommeren bourgondie , en vervolgens ook volksverzekerde willen zijn voor alle overige volksverzekeringen. Deze bewering is echter onjuist."

De conclusie dat krachtens het arrest Van Pommeren Bourgondien een vrijwillige AOW verzekering zou leiden tot het recht zich te verzekeren onder alle Nederlandse volksverzekeringen (of zelfs: alle sociale verzekeringen??)is onjuist. Het blijft aan het desbetreffende land vast te stellen onder welke toelatingsvoorwaarden men toegelaten wordt tot een bepaalde sociale verzekering. Wat de volksverzekeringen betreft biedt Nederland ook nog de vrijwillige ANW aan, maar de vrijwillige AWBZ is per 2006 afgeschaft. En minister Schippers heeft recent in een brief aan de Tweede Kamer gezegd dat ze geen vrijwillige ZVW wil instellen (waarvoor de pensionado's en ook de SBNGB pleitte).

Het EHvJ arrest Van Pommeren Bourgondien hield slechts drie zaken in:
1. Een herkomstland (pensioenland Nederland in geval van Van P-B.) mag een betrokkene onder zijn sociale zekerheidsstelsel houden door deze voor een bepaalde tak van sociale zekerheid te verzekeren. Dat hoeft niet noodzakelijk meerdere takken te zijn: 1 tak is voldoende.
2. Aan een betrokkene mag in plaats van verplichte verzekering voor de desbetreffende tak van sociale zekerheid een vrijwillige verzekering worden aangeboden.
3. De vrijwillige verzekering mag niet tegen ongunstiger (rechten en premies) aangeboden worden dan de verplichte verzekering. Maar mag wel beperkt zijn in duur.

Inderdaad geldt dat iemand die zich vrijwillig verzekert voor de AOW derhalve premieplichtig is voor die AOW: dat volgt uit de Wet Financiering Sociale verzekeringen. Daar staan afzonderlijk de bepalingen terzake van premieplicht vermeld voor de vrijwillige AOW. Idem dito voor de vrijwillige ANW.

Je citaat: "Ook de praktijk is anders. Ik heb het nog nooit meegemaakt, dat iemand die vrijwillig een premie betaald heeft aan de SVB , vervolgens werd gekort op de uitbetaling van de algemene heffingkorting op basis van art 8.9a van de wet IB"

Ik stelde juist dat iemand die premieplichtig is krachtens de vrijwillige verzekering voor AOW een premie moet betalen waarin het heffingskortingsdeel AOW WEL verwerkt zit: dus dat men wel recht heeft op dat heffingskortingdeel AOW (net als bij de verplichte verzekering AOW, mede op basis van Van Pommeren-B: zie punt 3 hierboven). De algemene heffingskorting (en het kan overigens om meer gaan dan alleen die algemene heffingskorting) krachtens 8.9.a van WetIB2001 betreft de toekenning van rechten aan de niet/weinigverdienende partner die niet volksverzekerd is en dus daarvoor ook niet premieplichtig, noch verplicht noch vrijwillig. Die rechten blijven in stand zo lang er (fiscale) "heffingskortingruimte" overblijft bij de andere, de meestverdienende, partner (waarin bij de laatste het AOWdeel voor zijn eventuele vrijwillige AOW dus een rol speelt). Wel moeten beide partners in beginsel op basis van art. 2.5 Wetib2001 de fictieve keuze maken voor Nederlandse belastingplicht als waren ze binnenlands belastingplichtige. Mocht ook de niet/weinigverdienende partner vrijwillig verzekerd zijn voor de AOW dan zal eerst bij die niet/ weinigverdienende partner AOWpremie geheven worden op basis van de WFSV, waarin verwerkt diens recht op het AOWdeel in de standaardheffingskorting. Mocht die niet/weinigverdienende partner dat AOWdeel niet (volledig) kunnen benutten dan treedt eventueel het eerdergenoemde mechanisme van art. 8.9.a in werking.

En ter aanvulling als detail: als ik het goed begrepen heb (van een beleidsbeslissing van Financien) is het onder omstandigheden ook mogelijk dat ondanks het feit dat de meestverdienende partner geen enkel belastbaar inkomen heeft vanuit Nederland maar wel premieplichtig is voor een of meer van de drie volksverzekeringen dat art. 8.9.a. (evenals art. 8.9) dan toch wordt toegepast.

Op de voorrang van de toepassing van de artikelen 8.9. en 8.9.a. in het kader van belasting- en premieheffing op de toekenning van heffingskorting voor de weinigverdienende partner in het kader van de verdragsbijdrage aan CVZ (krachtens art. 6.3.1. RZv) maakte ik al eerder attent. Je kunt dus wat betreft heffingskortingsdelen (voor welke van de 4 in het geding zijnde wetten dan ook) niet van twee walletjes eten. Er is natuurlijk wel een belangrijk verschil tussen art. 8.9.a. van de WetIB2001 en art. 6.3.1. RZv waar het om verhoging van heffingskorting voor de niet/weinigverdienende partner gaat. De eerste kent geen woonlandfactor, de tweede wel. Onder omstandigheden kan het daarom gunstiger zijn van art. 8.9.a in de belastingsfeer gebruik te maken. Bovendien kan de "heffingskortingsruimte" die overblijft bij de meestverdienende partner onder omstandigheden ruimer blijken in de belastingsfeer dan in de sfeer van de verdragsbijdrage ex art. 6.3.1. RZv.




Hierboven sprak ik over "in beginsel" de voorwaarde van kiezen voor binnenlandse belastingplicht in verband met de (bijzondere) verhoging voor de partner voor heffingskortingen. Met Duitsland bestaat echter het grensarbeidersprotocol, dat een andere route voor die verhogingen mogelijk maakt. Er zitten echter wat haken en ogen aan die uit het Besluit DGB2010/568M blijken:

“Gevolgen van de non-discriminatiebepalingen en het arbeidersprotocol
Besluit | 27-04-2010
Internationaal belastingrecht. Belastingverdragen; gevolgen van de non-discriminatiebepalingen (België, Suriname, Nederlandse Antillen en Aruba) en het grensarbeidersprotocol (Duitsland) voor de Wet inkomstenbelasting 2001.
Directoraat-generaal Belastingdienst, Brieven en beleidsbesluiten.
Besluit van 20 april 2010, nr. DGB2010/568M, Staatscourant 2010, 6364
De minister van Financiën heeft het volgende besloten.

Dit besluit is een actualisering van het besluit van 28 april 2006, nr. CPP2005/3340M in verband met wijzigingen in de heffingskortingen en de persoonsgebonden aftrek.”

“4. Het keuzerecht voor buitenlandse belastingplichtigen
In artikel 2.5 van de Wet IB 2001 is voor inwoners van andere lidstaten van de Europese Unie en voor inwoners van landen waarmee Nederland een regeling ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten die voorziet in de uitwisseling van inlichtingen, de mogelijkheid opgenomen om te kiezen voor toepassing van de regels voor binnenlandse belastingplichtigen. Deze keuzeregeling staat niet in de weg aan het toepassen van de desbetreffende non-discriminatiebepalingen en het grensarbeidersprotocol. Dat betekent dat inwoners van België, Suriname, Nederlandse Antillen, Aruba en Duitsland die niet kiezen voor behandeling als binnenlandse belastingplichtige zich kunnen beroepen op voornoemde non-discriminatiebepalingen en het grensarbeidersprotocol.
5. Gevolgen voor de Wet IB 2001
Hieronder wordt een overzicht gegeven van de gevolgen van de non-discriminatiebepalingen en het grensarbeidersprotocol voor de Wet IB 2001 in gevallen waarin niet wordt gekozen voor behandeling als binnenlandse belastingplichtige. Apart vermeld zijn de gevolgen in zoverre deze voor de toepassing van het grensarbeidersprotocol afwijken van de non-discriminatiebepalingen. De gevolgen hebben betrekking op de toepassing van heffingskortingen, heffingvrij vermogen, persoonsgebonden aftrekposten en toerekening van inkomensbestanddelen.
Voor het toepassen van de heffingskortingen, het heffingvrij vermogen en de persoonsgebonden aftrekposten worden dezelfde voorwaarden gesteld als voor binnenlandse belastingplichtigen. Bij de berekening van het verzamelinkomen dat wordt gebruikt als toetsinkomen voor bepaalde heffingskortingen en de uitgaven voor specifieke zorgkosten, wordt derhalve uitgegaan van de wereldwijd verdiende inkomsten. Indien de belastingplichtige op grond van artikel 1.2 van de Wet IB 2001 kan kwalificeren als partner, wordt het gezamenlijke verzamelinkomen van de belastingplichtige en zijn partner als toetsinkomen in aanmerking genomen, zonder dat wordt gekozen voor behandeling als binnenlandse belastingplichtige. Het grensarbeidersprotocol is beperkt tot gehuwden, zodat de toets van het gezamenlijke verzamelinkomen in deze situatie eveneens beperkt is tot gehuwden.
5.1. Heffingskortingen
Er bestaat recht op heffingskortingen voor de inkomstenbelasting, met uitzondering van de arbeidskorting, doorwerkbonus, inkomensafhankelijke combinatiekorting, ouderenkorting, alleenstaande ouderenkorting, jonggehandicaptenkorting, korting voor maatschappelijk beleggen, levensloopverlofkorting en de korting voor directe beleggingen in durfkapitaal en culturele beleggingen. Deze kortingen kunnen immers niet worden aangemerkt als persoonlijke aftrekken, tegemoetkomingen en verminderingen uit hoofde van burgerlijke staat of samenstelling van het gezin. Verder bestaat recht op de verhoging van de maximum gecombineerde heffingskorting bij de minstverdienende partner (artikel 8.9 van de Wet IB 2001) en de bijzondere verhoging van de heffingskorting voor de inkomstenbelasting voor niet-inwoners (artikel 8.9a van de Wet IB 2001). (..)
Op grond van het grensarbeidersprotocol (Duitsland) bestaat er ook recht op de ouderenkorting en de alleenstaande ouderenkorting omdat dit een tegemoetkoming is uit hoofde van de leeftijd.
Hoewel inwoners van België en Duitsland weliswaar op grond van het vorenstaande geen aanspraak kunnen maken op het inkomstenbelastingdeel van de arbeidskorting, de doorwerkbonus en de inkomensafhankelijke combinatiekorting, komen zij op grond van het EU-recht daarvoor in aanmerking (zie Hof Den Bosch2] en het onderschrift daarop3]). Uit praktische overwegingen wordt het inkomstenbelastingdeel van deze kortingen ook toegekend aan inwoners van Suriname, de Nederlandse Antillen en Aruba.
----------------------------------------
2] Uitspraak Hof Den Bosch 21 december 2006, nr. 04/02152, LJN: BA1390.
3] Intrekking cassatieberoep nr. 43.845, waardoor de uitspraak van Hof ’s-Hertogenbosch van 21 december 2006, nr. 04/02152, LJN: BA1390, tot uitgangspunt kan worden genomen. “





Mijn citaat:

" En ter aanvulling als detail: als ik het goed begrepen heb (van een beleidsbeslissing van Financien) is het onder omstandigheden ook mogelijk dat ondanks het feit dat de meestverdienende partner geen enkel belastbaar inkomen heeft vanuit Nederland maar wel premieplichtig is voor een of meer van de drie volksverzekeringen dat art. 8.9.a. (evenals art. 8.9) dan toch wordt toegepast."

Correctie
Dat had ik dus niet goed begrepen. Het gestelde vloeit niet voort uit ene besluit van de Minister van Financien, maar rechtreeks uit de WFSV onder toepassing van de daar genoemde verwijzingen naar hoofdstuk 8 van de WetIB2001 ter bepaling van de heffingskortingen voor de volksverzekeringen. Men hoeft dus geen belastingplichtige te zijn jegens Nederland om als paar waarvan ten minste een van beide partners premieplichtig is (voor een of meer volksverzekeringen, verplicht of vrijwillig) art. 8.9 en 8.9.a te kunnen toepassen. In beginsel kunnen beide partners ook nog verzkerd zijn voor verschillende volksverzekeringen, zolang er bij de meestverdienende maar voldoende "heffingskortingsruimte" overblijft.





Het bovenstaande overziend zijn er voor inwoners van Duitsland drie modellen van toekenning van de (bijzondere) verhoging van de heffingskortingen voor de niet/weinigverdienende partner:

I. Onder toepassing van art. 2.5 van de WetIB2001, keuze voro binnenlandse belastingplicht, en voor de premiedelen volksverzkeringen onder toepassing van de WFSV, en art. 6.3.1. RZv (de laatste met woonlandfactor)

Verhoging van GHK (gecombineerde heffingskorting), zijnde : AHK, AK, DB, ICK, OVK, AOK, JGK, OK, AONK, KMB, KDK, KCB tot maximaal het toetsniveau : AHK + AK+ ICK+ OVK, behoudens de heffingskortingsruimte bij de meestverdienende partner

II. Onder toepassing van het grensarbeidersprotocol
Verhoging van GHK: AHK, AOK, OVK tot maximaal het toetsniveau : AHK + AK+ ICK+ OVK behoudens de heffingskortingsruimte bij de meestverdienende partner

III. Onder toepassing van het grensarbeidersprotocol + de non-discriminatieregels EU recht:
Verhoging van GHK: AHK, AK, DB, ICK AOK, OVK tot maximaal het toetsniveau: AHK + AK+ ICK+ OVK
behoudens de heffingskortingsruimte bij de meestverdienende partner.

zie voor de betekenis van de afkortingen:

Artikel 8.2. Bedrag van de standaardheffingskorting
De standaardheffingskorting is het gezamenlijke bedrag van:
a. de algemene heffingskorting (artikel 8.10); AHK
b. de arbeidskorting (artikel 8.11); AK
c. de doorwerkbonus (artikel 8.12);DB
d. [vervallen;]
e. de inkomensafhankelijke combinatiekorting (artikel 8.14a); ICK
f. de ouderschapsverlofkorting (artikel 8.14b); OK
g. de alleenstaande-ouderkorting (artikel 8.15); AOK
h. [vervallen;]
i. de jonggehandicaptenkorting (artikel 8.16a); JK
j. de ouderenkorting (artikel 8.17); OK
k. de alleenstaande ouderenkorting (artikel 8.18); AONK
l. [vervallen;]
m. de korting voor maatschappelijke beleggingen (artikel 8.19) en KMB
n. de korting voor directe beleggingen in durfkapitaal KDK en culturele beleggingen KCB (artikel 8.20).

De "heffingskortingsruimte" bij de meestverdienende partner is gelijk aan de door hem aan Nederland verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen verminderd met diens gecombineerde heffingskorting. Bij de beplaing van de verdragsbijdrage ex art. 6.3.1. RZv zal dat laatste vaak neerkomen op alleen het AWBZdeel in de gecombineerde heffingskorting vermenigvuldigd met de woonlandfactor. 

Ingeval van een jaar waarin men zowel premieplichtig is voor de AWBZ als verdragsgerechtigd met betaling aan CvZ (bijv. bij migratie) mag volgens mij het premieinkomen voor het een en het ander onafhankelijk van elkaar bepaald worden naar de drie methoden die daarvoor bestaan: per tijdvak van premieplicht c.q. verdragserechtigdheid : (1) inkomensaftrekmethode, (2) tijdsevenredige methode, (3) tijdsevenredig naar het maximum premieinkomen.





Onder aanvulling op het bovenstaande, en enigszins onduidelijk in verband met hetgeen in een Beleidsbesluit staat over het grensarbeidersprotocol, is te verwijzen naar de site van de Belastingdienst waar de volgende heffingskortingen onder de gHK vermeld staan indien de 90% regeling van toepassing is:

U krijgt de volgende heffingskortingen:

inkomensafhankelijke combinatiekorting
ouderschapsverlofkorting
alleenstaandeouderkorting
ouderenkorting
alleenstaandeouderenkorting
arbeidskorting
algemene heffingskorting
doorwerkbonus.

Dit lijkt dus ook te gelden indien de weinigverdienende (gehuwde) partner onder de 90% regeling valt voor de verhogingen krachtens art. 8.9 en 8.9a van de WetIB2001.



Mijn citaat: "De "heffingskortingsruimte" bij de meestverdienende partner is gelijk aan de door hem aan Nederland verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen verminderd met diens gecombineerde heffingskorting"

Let wel: dit is in het kader van art. 8.9 na vermindering van belastingheffing doro Nederland vanwege het belastingverdrag. Soortgelijk bij art. 8.9a .



Het nieuwe belastingverdrag met Duitsland en het bijbehorende Protocol bevatten geen algemene bepalingen ter toekenning van heffingskortingen en evenmin in verband met verhogingen voor niet/weinigverdienende partners. Dit impliceert volgens mij dat in beginsel gekozen moet worden krachtens art. 2.5 wet IB2001 voor binnenlandse belastingplicht om die kortingen te verkrijgen tezij rechtsreeks ene beroep gedaan kan worden op non-discrimintaiebeplaingen van het EU recht.
Zie ter vergelijking ook de opmerkingen over heffingskortingen in het grensarbeidersprotocol met Belgie in bovengenoemd Beleidsbesluit van Financien.



Stel nu dat een paar niet belastingplichtig is jegens Nederland, maar een van de partners (met inkomen) wel premieplichtig voor de volksverzekeringen en de andere niet, hoe zit het dan met de mogelijkheid van toepassing van artikel 8.9a? Dit zal het meest kunne voorkomen bij inwoners van Nederland (bijv. de eerste partner met een buitenlands pensioen dat aan belastingheffing door een ander land onderhevig is, en de tweede partner zonder inkomen)
Mijns inziens is noch de belastingplicht, noch de keuze voor binnenlandse belastingplicht op grond van 2.5 WetIB2001 door partners dan een voorwaarde om toch art. 8.9.a toegepast te krijgen en de tweede partner te laten delen in de verhoging premiedelen van de premiedelen van de standaardheffingskorting als voorzien in art. 8.9.a. Het inkomstenbelastingdeel van de verhoging van de heffingskorting valt dan echter niet toe aan de nietverdienende partner omdat de eerste partner daartoe belastingplichtig zou dienen te zijn.
Ik leid dit af uit de wijze waarop de premieheffing voor de volksverzekeringen geformuleerd is in de WFSV. Dat dwingt volgens mij tot toepassing van geheel hoofdstuk 8 over de heffingskortingen ongeacht de belastingstatus van de premieplichtige.
Omdat er een afzonderlijk partnerbegrip in verband met premieheffing voor de volksverzekeringen geformuleerd is (identiek aan dat voor de inkomstenbelasting) kan er op dat punt ook geen probleem ontstaan.



Vergelijking met de regeling voor heffingskortingen in het kader van de verdragsbijdrage leert dat artikel 8.9 en 8.9.a in hun geheel toepassing dienen te vinden voor de niet/weinigverdienende partner. Dus ook wat betreft de delen betrekking hebbend op de inkomstenbelasting. Ik zie echter niet in dat indien beide partners niet belastingplichtig zijn jegens Nederland, maar wel premieplichtig, op grond van de inhoud van WFSV en de beide genoemde artikelen ook recht op het inkomstenbelastingdeel van de verhoging van de heffingskorting voor de partner zou kunnen ontstaan. Het aandeel inkomstenbelasting is overigens betrekkelijk gering in die verhoging: de premiedelen zijn veel groter.



Hallo Jan,

Ik kan jouw beweringen niet helemaal volgen. Ik zal je vertellen waarom niet. Ik neem hierbij als voorbeeld de AOW. Dit omdat voor de AOW nog wel eens een vrijwillige verzekering wordt afgesloten.

Casus:

Man, 62 jaar gaat wonen in Duitsland. Hij sluit om de laatste 3 jaren niet tegen een korting aan te lopen, een vrijwillige verzekering af om zo op zijn 65 toch een volledige AOW te hebben . Hij heeft voorafgaande aan zijn verhuizing naar Duitsland altijd in Nederland gewerkt

Als ik begin in de materie wet AOW wordt duidelijk omschreven wie er de verzekerden zijn.
De gene die vrijwillig premie betaald kan niet onder artikel 6 lid 1 eerste punt worden gevangen ( hij woont in Duitsland)

Onder Artikel 6 lid 1 tweede punt kan deze persoon ook niet worden gevangen : iemand die een dienstbetrekking heeft en aan loonbelasting onderworpen is. ( Want dan zou er een inhoudingsplichtige in Nederland moeten zijn)

Met andere woorden er is geen bepaling in de wet AOW die van deze persoon een verzekerde maakt.

Hoofdstuk II. Kring der verzekerden
Artikel 6
• 1. Verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet is degene, die nog niet de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, en
o a. ingezetene is;
o b. geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland of op het continentaal plat in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.
• 2. Niet verzekerd is de vreemdeling die niet rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000.
• 3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan, in afwijking van het eerste en tweede lid, uitbreiding dan wel beperking worden gegeven aan de kring der verzekerden.
• 4. Bij een maatregel, als bedoeld in het derde lid, kan worden afgeweken van het tweede lid ten aanzien van:
o a. vreemdelingen die rechtmatig in Nederland arbeid verrichten, dan wel hebben verricht;
o b. vreemdelingen die, na rechtmatig verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000, rechtmatig in Nederland verblijf hebben als bedoeld in artikel 8, onder g of h, van de Vreemdelingenwet 2000.

Er zou nu nog een mogelijkheid kunnen zijn dat het BUB (besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 )de kring van verzekerden zou uitbreiden waardoor deze persoon alsnog zou kunnen worden aangemerkt als verzekerde zie hiervoor art 6 lid 3

Echter als we kijken naar het BUB naar de uitbreiding, dan zien we hier dat de persoon ook hier niet onder kan worden gevangen:

• . § 2. Uitbreiding van de kring van verzekerden
Artikel 2. Nederlandse ambtenaren en hun gezinsleden in het buitenland
o 1.Verzekerd op grond van de volksverzekeringen is de niet in Nederland wonende Nederlander die op grond van artikel 8, tweede lid, onderdeel a, derde lid, onderdeel a, vierde, vijfde of zesde lid, van het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken werkzaam is bij een vertegenwoordiging van het Koninkrijk der Nederlanden in het buitenland als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken, tenzij hij:
 a. buiten Nederland arbeid verricht anders dan de werkzaamheden, bedoeld in de aanhef; of
 b. een uitkering ontvangt op grond van een buitenlandse wettelijke regeling inzake sociale zekerheid.
o 2.Verzekerd op grond van de volksverzekeringen zijn de gezinsleden, bedoeld in artikel 2 van het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken, van de in het eerste lid bedoelde verzekerde, tenzij het gezinslid:
 a. buiten Nederland arbeid verricht en de inkomsten uit deze arbeid meer bedragen dan het bedrag, genoemd in artikel 8.14, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001; of
 b. een uitkering ontvangt op grond van een buitenlandse wettelijke regeling inzake sociale zekerheid.
o 3.De gezinsleden die op grond van het tweede lid zijn verzekerd, blijven verzekerd op grond van de volksverzekeringen gedurende de periode van een jaar, te rekenen vanaf de datum van overlijden van de verzekerde, bedoeld in het eerste lid, tenzij het gezinslid:
 a. buiten Nederland arbeid verricht en de inkomsten uit deze arbeid meer bedragen dan het bedrag, genoemd in artikel 8.14, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001; of
 b. een uitkering ontvangt op grond van een buitenlandse wettelijke regeling inzake sociale zekerheid.
o 4.Verzekerd op grond van de volksverzekeringen is de niet in Nederland wonende particuliere bediende die in dienst is van de verzekerde, bedoeld in het eerste lid, tenzij hij:
 a. onderdaan is van de ontvangende staat;
 b. ten tijde van aanwerving niet in Nederland woonde;
 c. buiten Nederland arbeid verricht anders dan uit hoofde van vorenbedoelde dienstbetrekking; of
 d. een uitkering ontvangt op grond van een buitenlandse wettelijke regeling inzake sociale zekerheid.
Artikel 3. Nederlanders, in dienst van een publiekrechtelijke rechtspersoon, en hun gezinsleden in het buitenland
o 1. Verzekerd op grond van de volksverzekeringen is de niet in Nederland wonende Nederlander, voor zover niet reeds begrepen onder artikel 2, die uit hoofde van een dienstbetrekking met een Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon buiten Nederland arbeid verricht ten behoeve van die rechtspersoon, tenzij hij:
 a. ten tijde van aanwerving niet in Nederland woonde;
 b. buiten Nederland arbeid verricht anders dan uit hoofde van de vorenbedoelde dienstbetrekking;
 c. een uitkering ontvangt op grond van een buitenlandse wettelijke regeling inzake sociale zekerheid; of
 d. werkzaam is bij een door Onze Ministers en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan te wijzen volkenrechtelijke organisatie en op hem een regeling inzake sociale zekerheid van die organisatie van toepassing is.
o 2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, is verzekerd op grond van de volksverzekeringen de Nederlander die in dienst is van een publiekrechtelijke rechtspersoon in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba mits hij door de Nederlandse overheid is uitgezonden.
o 3. Verzekerd op grond van de volksverzekeringen zijn de echtgenoot, kinderen en overige inwonende gezinsleden van de verzekerde, bedoeld in het eerste en tweede lid, tenzij het gezinslid:
 a. buiten Nederland arbeid verricht en de inkomsten uit deze arbeid meer bedragen dan het bedrag, genoemd in artikel 8.14, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001; of
 b. een uitkering ontvangt op grond van een buitenlandse



vervolg:

Hierbij moet je tot de conclusie komen dat de persoon die een vrijwillige aow verzekering heeft afgesloten op geen enkele wijze kan worden aangemerkt als zijnde een verzekerde voor de volksverzekeringen in Nederland.

Er is echter nog een punt waaraan je kunt zien dat het hier geen persoon is die onder de volksverzekeringen valt. Hier moet je echter iets dieper graven. Als je kijkt wie er is aangewezen voor het innen van de premies voor de volksverzekeringen, blijkt dit de belastingdienst te zijn , dit blijkt uit hoofdstuk 4 van de wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv)

HOOFDSTUK 4
De heffing en invordering van premies
§ 1. Heffing
Art. 57. Premieheffing door de rijksbelastingdienst (4.1.1) [Geschiedenis: MvT; versie 16 december 2004]
De rijksbelastingdienst heft de premie voor de volksverzekeringen en de premies voor de werknemersverzekeringen.

Als we nu kijken wie er mag innen voor de vrijwillige aow premie zie hieronder , blijkt dit nu de SVB te zijn, ook hier uit valt af te leiden dat het geen premie is voor de volksverzekering is.

§ 2. Heffing en inning
Art. 70. Premieheffing door SVB (6.1.2.1) [Geschiedenis: MvT; versie 16 december 2004; Stb. 2005, 525]
-1. De verschuldigde premie voor de vrijwillige algemene ouderdomsverzekering of de vrijwillige nabestaandenverzekering wordt in rekening gebracht en geïnd door de SVB op de wijze en het tijdstip aangegeven door de SVB.
-2. Een schuld aan premie voor een vrijwillige verzekering valt buiten de nalatenschap van degene die tot die verzekering was toegelaten. De schuld wordt betaald door degene die krachtens de betrokken vrijwillige verzekering prestaties ontvangt.

Samenvattend ben ik van mening dat iemand die vrijwillig premie betaalt niet iemand is die aangemerkt kan worden als een verzekerde voor de volksverzekeringen in deze casus de AOW.

Deze persoon bouwt zijn aow rechten op via een separaat kanaal, als niet zijnde een volksverzekerde.

Te zijner tijd zal de desbetreffende persoon er niets van merken hoe zijn uitkering is opgebouwd. Deze persoon zal als hij 65 wordt een (1) uitkering krijgen van de SVB.

Mvg marc




@Marc

je haalt zaken door elkaar. Je begint met een casus van een 62 jarig vrijwillig verzekerde man van 62, maar daarna ga je artikelen uit de AOWwet over de verplichte AOWverzekering citeren, die dus helemaal geen betrekking hebben op de vrijwillige AOW.

De vrijwillige verzekering wordt echter elders in de AOWwet geregeld , en wel in hoofdstuk IV van die wet. Daar blijkt dat, uiteraard, men zich slechts vrijwillig kan verzekeren als de verplichte AOW verzekering is beeindigd.

(I) Ik citeer daartoe alleereerst de meest belangrijke bepalingen uit hoofdstuk IV over de vrijwillige AOW verzekering hieronder.

(II) Vervolgens is de vraag hoe de vrijwillige AOW gefinancierd wordt. Welnu, dat geschiedt door premieheffing bij betrokken vrijwillig verzkerde, en dat is geregeld in de Wet Financiering Sociale Verzkeringen (WFSV), ook in aparte bepalingen voor de vrijwillige verzekering. Aldaar wordt de vrijwillige verzekering AOW als vrijwillige volksverzekering getypeerd. Als de wetgever dat doet, is dat een feit en is er dus geen reden meer om van dat oordeel af te wijken. Ik citeer dat ook (opnieuw).

(III) Tenslotte wordt in het Besluit vrijwillige volksverzekeringen AOW en ANW in concreto vastgesteld hoe de premie voor de vrijwillige verzekering AOW wordt bepaald. Ook dat citeer ik opnieuw:

(I)
"HOOFDSTUK IV AOW
De vrijwillige verzekering
Art. 34. [Begrip gewezen verzekerde] [Geschiedenis: Stb. 2001, 212]
In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder gewezen verzekerde: degene wiens verplichte verzekering is geëindigd.
Art. 35. [Periode vrijwillige verzekering] [Geschiedenis: Stb. 2001, 212 + bis + bis + bis; Stb. 2005, 525; Stb. 2005, 573 + bis; Stb. 2009, 580; Stb. 2011, 618]
-1. De gewezen verzekerde van 15 jaar of ouder kan zich, zolang hij de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt, vrijwillig verzekeren over een periode van maximaal tien jaar, met ingang van de dag na de dag waarop de verplichte verzekering is geëindigd. De eerste zin is alleen van toepassing indien de gewezen verzekerde direct voorafgaande aan de periode van vrijwillige verzekering ten minste één jaar verplicht verzekerd is geweest (...)

(II) Over de financiering van de vrijwillige AOW, zie de WFSV:

" De financiering van de vrijwillige volksverzekeringen
§ 1. Inleidende bepalingen
Art. 68. Premieheffing (6.1.1.1) [Geschiedenis: MvT; versie 16 december 2004]
De financiële middelen tot dekking van de uitgaven voor de vrijwillige volksverzekeringen worden verkregen door het heffen van premie.
Art. 69. Algemene begrippen (6.1.1.2) [Geschiedenis: MvT; versie 16 december 2004; Stb. 2005, 525]
Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:
a. vrijwillige algemene ouderdomsverzekering: de verzekering, bedoeld in hoofdstuk IV van de Algemene Ouderdomswet;

(..)

bten slotte over hoe de premie wordt vastgesteld:

(III) BESLUIT VRIJWILLIGE VERZEKERING AOW EN ANW VOOR IN DE EUROPESE UNIE WONENDE UITKERINGSGERECHTIGDEN

"2. De verschuldigde AOW-premie en Anw-premie, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld overeenkomstig het bij of krachtens hoofdstuk II, paragraaf 3, van de Wet financiering volksverzekeringen bepaalde, zoals dit hoofdstuk luidde voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet financiering sociale verzekeringen, met dien verstande dat die verschuldigde premie wordt vastgesteld, in rekening gebracht en geïnd door de SVB."

In de toelichting daarover: "Met dit artikel wordt de belangrijkste afwijking ten opzichte van de bestaande vrijwillige verzekering vormgegeven. Verondersteld mag immers worden dat voor betrokkenen de hoogte van de premie van doorslaggevend belang is (geweest) om al dan niet een vrijwillige verzekering af te sluiten. De premie voor de vrijwillige verzekering wordt conform de premie voor de verplichte verzekering berekend."

Daarmee zijn we in III dus weer terug op het punt hoe de premie voor de vrijwillige verzekering AOW is geregeld. Dat is in beginsel hetzelfde als bij de verplichte verzekering AOW: dus hetzelfde premiepercentage en dezelfde regeling(en) met betrekking tot (het AOWdeel) in de heffingskorting. Voor het laatste wordt in de WFSV verwezen naar hoofdstuk 8 WetIB2001. De implicaties van het AOWdeel in de heffingskorting bij vrijwillige verzekering, ook de bijzondere verhoging van 8.9a, behandelde ik in extenso in mijn laatste bijdragen.



zie ook de voorlichting van de SVB over de hoogte van de premie voor de vrijwillige verzekering AOW op
http://www.svb.nl/int/nl/vv/wonen_werken_buiten_nederland/wat_kost_de_vv/

Merk op dat de SVB wat betreft de toe te kennen korting alleen spreekt over de algemene heffingskorting. Mijns inziens staat de WFSV toe meer typen heffingskorting erin te betrekken (zie eerdere bijdragen).

Seiten: 1 2 Zurück zur Übersicht


Een service van www.Verhuis.DE