Zuletzt bearbeitet: 02.08.12 19:21 von Administrator
zie op www.icng.eu:
"Samenvatting klacht tegen de Staat der Nederlanden
(1) Op 7 juni 2012, aangevuld bij verzoekschrift van 31 juli 2012, hebben twee pensionado's (hierna aangeduid als de heren 'X en Y') een klacht ingediend bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in verband met de invoering van de Zorgverzekeringswet ("ZVW") in Nederland op 1 januari 2006. Deze klacht heeft mede het karakter van een proefproces en wordt ondersteund door de Stichting Belangenbehartiging Nederlandse Gepensioneerden in het Buitenland (de SBNGB). Achtergrond is dat de Nederlandse gepensioneerden die op 1 januari 2006 in het buitenland woonachtig waren, in het bijzonder in andere landen van de Europese Unie dan Nederland, en die particulier verzekerd waren voor hun ziektekosten, ernstige schade hebben geleden door de invoering van de ZVW. Het betreft een groep van circa 40.000 mensen. De SBNGB behartigt de belangen van deze groep.
(2) Aan de klacht van de heren X en Y ligt het volgende ten grondslag. De invoering van de ZVW per 1 januari 2006 had automatisch tot gevolg dat alle (particuliere) zorgverzekeringen in Nederland van rechtswege kwamen te vervallen. De Nederlandse Staat heeft er destijds voor gezorgd dat ingezetenen van Nederland hiervoor in de plaats een nieuwe zorgverzekering kregen die zowel waar het betrof de dekking, als waar het betrof de te betalen premie, vergelijkbaar was met de verzekering waarover de ingezetenen beschikten voor 1 januari 2006. Voor niet-ingezetenen zoals de heren X en Y (in het bijzonder: Nederlandse gepensioneerden die wonen buiten Nederland) is dat niet geregeld door de Staat. Zij kregen ten gevolge van de ZVW een zorgverzekering die een lagere dekking bood dan voorheen, tegen bovendien een veel hogere premie.
(3) Dat niet-ingezetenen per 1 januari 2006 een niet vergelijkbare zorgverzekering kregen tegen hogere kosten, werd in het bijzonder veroorzaakt doordat zij door de Staat werden verplicht om zich aan te melden bij het College voor zorgverzekeringen ("Cvz") voor een zogenaamde woonlandverzekering. Onder deze verzekering bestaat een recht op de van staatswege aangeboden publieke zorg in het woonland, ten behoeve waarvan de Nederlandse Staat een vergoeding betaalt aan dit woonland. Deze publieke zorg is in de regel echter van (veel) lager niveau dan de (publieke) zorg die in Nederland wordt aangeboden. Van belang is dat niet-ingezetenen tot 1 januari 2006 in hun woonland aanspraak konden maken op zorg van Nederlands niveau, omdat ook aanvullende particuliere/private zorg voor vergoeding in aanmerking kwam. Hiermee bereikten niet-ingezetenen een zorgniveau dat vergelijkbaar was met het zorgniveau van ingezetenen van Nederland. Per 1 januari 2006 veranderde dit en konden niet-ingezetenen slechts aanspraak maken op zorg die van veel lager niveau was. Dit terwijl de niet-ingezetenen via het Cvz eenzelfde premie aan Nederland moesten betalen als de ingezetenen, terwijl deze laatste groep wèl recht hield op zorg van Nederlands niveau (en dus niet in dekking achteruit ging ten gevolge van de invoering van de ZVW).
(4) Niet-ingezetenen zagen zich ten gevolge van de invoering van de ZVW – en het daarmee komen te vervallen van de oude verzekeringen waaronder dekking bestond voor zorg van een Nederlands niveau – genoodzaakt om aanvullende particuliere verzekeringen af te sluiten. Deze noodzaak kwam voort uit het feit dat het een groep gepensioneerden betreft met een hoge leeftijd en daarom ook een hoge zorgbehoefte. De invoering van de ZVW had voor niet-ingezetenen echter – anders dan voor ingezetenen – tot gevolg dat de solidariteit voor deze particuliere verzekeringen was komen te vervallen. Dit had een sterke stijging van de premies tot gevolg. Dit resulteerde erin dat niet-ingezetenen per 1 januari 2006 een veel hogere premie gingen betalen dan ingezetenen (dikwijls meer dan het dubbele). Dit had ernstige negatieve inkomenseffecten voor de niet-ingezetenen, waarbij van belang is dat deze groep niet in staat is extra inkomsten te genereren (het betreft immers gepensioneerden).
(5) De invoering van de ZVW en de ongelijke behandeling tussen ingezetenen en niet-ingezetenen die daarvan het gevolg was (en overigens ook nog is), is naar opvatting van verzoekers en de SBNGB in strijd met het discriminatieverbod als neergelegd in de artikelen 14 en 1 Twaalfde Protocol EVRM. Ingezetenen en niet-ingezetenen hadden tot 1 januari 2006 gelijke rechten: beide groepen konden aanspraak maken op dezelfde (zorg)dekking tegen dezelfde kosten. Per 1 januari 2006 veranderde dit: ingezetenen kregen een vergelijkbare dekking tegen vergelijkbare kosten, terwijl niet-ingezetenen een veel lagere dekking kregen tegen hogere kosten. Ook niet-ingezetenen onderling werden ongelijk behandeld: afhankelijk van het woonland moest een andere premie worden betaald. Dit terwijl de zorgbehoefte voor iedereen gelijk is, ongeacht het woonland. Voor het gemaakte onderscheid bestaat geen rechtvaardiging (er wordt voorzover SBNGB bekend geen wettig doel mee nagestreefd). Het gemaakte onderscheid is bovendien disproportioneel. Gelet daarop is het discriminatieverbod geschonden. (..)"
vervolgens:
" (6) De invoering van de ZVW heeft hiernaast geleid tot een schending van het door art. 1 Eerste Protocol EVRM beschermde recht van de pensionado's op een ongestoord eigendomsgenot. Bestaande contractuele rechten/aanspraken (de zorgverzekering) werden van rechtswege ontnomen en daarmee ook de daaronder door de pensionado's opgebouwde sociale (zekerheids)rechten, zoals het recht op solidariteit. Ook had de invoering van de ZVW ernstige financiële gevolgen voor niet-ingezetenen, wegens onder meer het verlies van dekking, de invoering van eigen risico's en de sterke verhoging van de verschuldigde premies. Deze eigendomsinmenging dient geen legitieme doelstelling in het algemeen belang en is onevenredig en dus niet in overeenstemming met de vereisten van art. 1 EP EVRM.
(7) Tot slot is naar opvatting van de heren X en Y en de SBNGB in de nationale procedures die over het voorgaande zijn gevoerd, jegens pensionado's hun recht op een eerlijk proces als beschermd door art. 6 EVRM geschonden. Dit komt in het bijzonder doordat de uitspraak van de hoogste nationale rechter in dezen – de Centrale Raad van Beroep – onvoldoende gemotiveerd en inherent tegenstrijdig is. Derhalve voldoet deze uitspraak niet aan de vereisten van art. 6 EVRM.
(8) De heren X en Y – en daarmee ook de SBNGB – hebben het Europese Hof voor de Rechten van de Mens gevraagd om de Nederlandse Staat te veroordelen voor voornoemde schendingen van het EVRM. Daarmee beogen zij te bereiken dat pensionado's hun oude – tot 1 januari 2006 bestaande – zorgverzekering weer terugkrijgen en/of zullen worden gecompenseerd voor de schade die zij ten gevolge daarvan hebben geleden en nog zullen lijden, onder meer waar het betreft de door hen teveel betaalde zorgpremies en te lage verzekeringsdekking"